
De discussie over BRP-inschrijving van arbeidsmigranten moet veel helderder worden gevoerd. Wie langer dan vier maanden in Nederland verblijft, heeft de wettelijke plicht zich in te schrijven bij de gemeente. De wetgever heeft de burger die plicht opgelegd.
Daar mag niemand tussen gaan zitten: niet de werkgever, niet de verhuurder of uitzender. De verhuurder weet als eerste waar iemand verblijft. Dat is de logische partij die zou kunnen helpen bij de inschrijving. Niet de werkgever. Een rol voor de werkgever bij inschrijving schuurt met een belangrijk uitgangspunt in goed beleid: wonen en werken moeten zoveel mogelijk gescheiden blijven. De uitzender en werkgever hebben hier alleen een rol in, als ze ook als verhuurder optreden. Maar juist die vermenging moet worden afgebouwd.
Daar hoort ook een duidelijke grens bij. Geen werkgever of verhuurder mag inschrijving verbieden, ontmoedigen of feitelijk onmogelijk maken. Niet via contracten, niet via druk en ook niet door de afhankelijkheid van werk en huisvesting zo groot te maken dat iemand geen vrije keuze meer heeft. Wie dat toch doet, maakt mensen bewust kwetsbaar en afhankelijk en bemoeit zich met een wettelijke plicht die hem niet toekomt.
Ook gemeenten kunnen zich hier niet aan onttrekken. Inschrijving is geen gemeentelijke gunst, maar een wettelijke registratie die de gemeente zorgvuldig moet uitvoeren. Wie daadwerkelijk in een gemeente verblijft, moet zich daar kunnen inschrijven. Woonbeleid of ruimtelijke handhaving zijn een andere kwestie en mogen nooit als omweg worden gebruikt om inschrijving tegen te houden.
De kern is dus eenvoudig: BRP-inschrijving hoort bij de burger, niet bij de uitzender. Maar precies daarom moet de overheid wel zorgen dat niemand die inschrijving kan blokkeren. Een volwassen systeem begint met duidelijke verantwoordelijkheden: de arbeidsmigrant schrijft zich in, de gemeente registreert en de werkgever blijft af van een verantwoordelijkheid die niet bij hem ligt.




Plaats een reactie